Ik keek ernaar uit om heerlijk niets te doen in Kaapverdië, maar daar bleek toch heel wat leuks te beleven. En ik kon er mijn Frans weer eens bovenhalen.

Kaapverdië bestaat uit 10 eilanden van een soort vulkanisch gesteente. Omdat de grond zo onvruchtbaar is kan je het landschap – dat weliswaar verschilt per eiland en heus enkele prachtige groene stroken heeft – vergelijken met dat van de planeet Mars. Prachtig om te zien, maar het nadeel is dat zowat alles aan voedsel geïmporteerd moet worden. Daarnaast is het drinkwater prima voor de lokale bevolking, maar veel te zout voor toeristen – tenzij je de rest van je vakantie op de wc wil doorbrengen kan je het beter niet drinken.

Ik verbleef zelf op het eiland Sal dat vernoemd is naar de zoutmijnen. Maar voor ik die ging bezoeken besloot ik even mijn innerlijke Tania McQuoid te koesteren. Ofwel, de eerste dag bracht ik hoofdzakelijk aan het zwembad door, met een cocktail. Onderwijl kijkend naar alle personages die zo uit The White Lotus weggelopen waren. De bevriende koppels, de familie met selfie-verslaafde tweens. En ik spotte ook een duo grumpy old men die niets leukers vonden dan bij de bar te hangen en commentaar te geven op alles en iedereen. Het was hilarisch. Vooral na een paar drankjes dan.

Het strand van het hotel beviel uitstekend, om van het weer nog maar te zwijgen. Maar hé, de gemiddelde temperatuur op Cabo Verde is 21 graden, en op Sal had het al 8 jaar niet geregend. Na de koude druilerige Amsterdamse lente een welkome afwisseling.

Frans

Waar ik op dag 1 niet veel deed besloot ik op dag 2 een excursie te maken. Online had ik al filmpjes gezien van een catamarantocht naar een plek waarbij je kon vissen, in zee kon zwemmen en met een beetje geluk kwam je nog een schildpad, walvis of haai tegen.

Iets wat ik overigens helemaal niet had zien aankomen was dat er zoveel Frans gesproken werd op Sal. De gids die ons ophaalde legde het me later uit: de officiële taal van Kaapverdië is Portugees, maar niemand spreekt dat want het is de taal van de kolonisten. De lokale bevolking spreekt creools, een mengeling van Portugees en Afrikaanse talen. Op school leren kinderen Engels en Frans, maar Frans vergeten de meesten weer nadat ze hun school hebben afgemaakt. Behalve de mensen die in het toerisme gaan werken. Iets wat jonge mensen vaak doen tussen hun middelbare school en hun vervolgopleiding omdat dat laatste erg duur is, ze moeten er immers voor naar een ander eiland verhuizen want slechts één eiland herbergt een universiteit. Kortom, op Sal – het meest toeristische eiland – kwam ik niet alleen veel Franse toeristen tegen, ook sprak ik aardig wat locals in het Frans, al of niet een beetje verbasterd (zo had onze gids een hilarische uitspraak van het ’twalatte’ ipv ’twalet’). Dat ik mijn Franse talenknobbel kon aanspreken verhoogde alleen maar mijn vakantiegevoel.

Palmeira

Nadat we opgehaald waren bij onze hotels reed ons busje naar het havenstadje Palmeira. Dat zag er bij lange na niet zo luxueus uit als het haventje van Santa Maria – dé toeristische trekpleister van Sal, bekend van z’n prachtig witte stranden – maar het was evenzeer een streling voor het oog. Je kon er lekker uitrusten, eten bij het lokale visrestaurant Rotterdam (iets wat ik heel graag wilde doen maar niet aan toe ben gekomen) en kijken hoe vissers hun vers gevangen vis lieten schoonmaken.

Overigens bleek het een afrader om in deze haven te gaan zwemmen, want bij het schoonmaken werd allerlei visafval zo weer de zee in gegooid wat uiteraard haaien aantrok. Maar die waren die dag gelukkig afwezig.

Gelukkig, want voor we op onze catamaran konden gaan chillaxen werden we met z’n allen in een rubberbootje gepropt om naar de catamaran varen. Dat bleek zowaar nog avontuurlijker dan de hele catamarantocht, ook al duurde het amper 10 minuten. Eenmaal aan boord gingen de schoenen uit en werden we ontvangen met een drankje.

Bevrijdend

Wat daarna volgde was puur uitrusten. De loungebanken waren al bezet, wat mij goed uitkwam want ik had mijn zinnen gezet op een kussen voorin. Daar voelde je de deining van de zee het meest, maar had je ook het beste zicht op de omgeving. Dat mensen organisch van plaats wisselden maar de meeste gasten helemaal niet op de kussens vooraan wilden liggen was een meevaller.

Onze tocht voer naar een kleine baai in de buurt waar het water warmer was en we konden vissen en zwemmen. Het was eeuwen geleden dat ik nog eens gezwommen had, laat staan in een baai tussen allerlei exotische vissen. Sterker zelfs, omdat ik sinds de coronapandemie steeds vaker commentaar krijg op mijn uiterlijk en gezien de algehele beeldvorming rondom ‘het perfecte lichaam’ in bepaalde media ben ik erg onzeker geworden over hoe ik eruit zie. Eerst keek ik dan ook even de kat uit de boom toen de ene na de andere gast van boord sprong om lekker te gaan snorkelen in de baai. Wat mij daarbij opviel? Zoveel mensen, zoveel lichamen. En als 10-jarige koters van de boot gingen springen, dan durfde ik het ook wel, toch? Dus zette ik mijn verstand op nul, trok m’n shirt uit en plonsde in de open zee. En wat voelde dat als een bevrijding!

Ik ben zelfs niet gaan kijken bij de vissers achter op het schip. Zo druk was ik met springen, plonzen en zwemmen – het was puur genieten.

Na het zwemmen en vissen was het tijd voor lekkere snacks en drankjes. En voor muziek en dans tijdens de terugtocht. De crew zorgde voor aardig wat ambiance en kon het merendeel van de gasten overhalen gezellig mee te swingen en te trommelen op typisch Kaapverdische muziek en bekendere hits. Zelf koos ik ervoor weer op de kussens vooraan te gaan liggen waar de kapitein inmiddels ook plaatsgenomen had om haaien en walvissen te spotten. Die lieten het afweten, maar de pret werd er niet minder door. Al helemaal toen de zee ruwer werd, het water over het voorsteven spatte en we de ene na de andere vliegende vis konden spotten.

Man, ik had nog nooit een vliegende vis gezien – wat een fascinerende dieren! Het enige jammere was dat ze te snel weg waren voor ik ze met m’n camera kon vastleggen.

Onderweg zagen we nog wel wat andere boten en catamarans, maar die waren kleiner en het zag er bij lange na niet zo leuk en gezellig uit daar. Geen wonder dat ik bij thuiskomst in het hotel enkel nog een diner naar binnen kon werken en daarna – voor het eerst in lange tijd – als een blok in slaap viel. En dat was nog maar dag 2 van mijn reis.

Benieuwd naar het vervolg? Hier lees je Deel 3 – De verborgen kant van Sal.